De mens: ergens anders?

Door Annalin van Putten.

De ‘humanoid’, of mens-robot, wordt gezien als een ‘stap voorwaarts’ in de menselijke evolutie maar roept tegelijkertijd angst en afgrijzen op. Wat leert de confrontatie met een humanoid ons over de paradigma’s met betrekking tot mens-zijn, menselijk bewustzijn en het zelf? Stuiten we bij deze ‘hernieuwde’ vaststelling op grenzen van mens-zijn en menselijk bewustzijn? Of worden ons nieuwe mogelijkheden getoond?

George, die in 2018 te gast is in de talkshow van Jeroen PauwOp de afbeelding is humanoid George te zien, die in 2018 te gast is in de talkshow van Jeroen Pauw. De manier waarop een humanoid is vormgegeven, lijkt gericht te zijn op ‘intermenselijk’ contact tussen mens en humanoid. Los van alle menselijke eigenschappen, kenmerken en mogelijkheden die bij hen aangebracht zijn, voelt het echter voor veel mensen nog niet natuurlijk om in contact te treden met een humanoid. Iets in ons mensen weet de verbinding met de ‘menselijke robots’ nog niet te maken.
Dit kan niet alleen te maken hebben met het feit dat George hoofdzakelijk materie is. Eenzelfde onrust ervaren we immers niet bij bijvoorbeeld de confrontatie met een bloempot. Veel van de menselijke angst voor humanoids lijkt gestoeld te zijn op de bewuste gelijkschakeling van robots en mensen. Humanoids worden geacht in veel opzichten gelijk te zijn aan de mens en dienen zelfs over een eigen (zelf)bewustzijn te beschikken.

Voor mij is vooralsnog de enige uitkomst die uit het contact met een humanoid lijkt te komen de nadrukkelijke, haast wanhopige, vaststelling dat George in ieder geval geen mens is, en ik ‘dus’ wel mens móét zijn. Met deze vaststelling ga ik voorbij aan alle zichtbare ‘menselijke kenmerken’ die George vertegenwoordigt. Vanuit het niet-herkennen van mijzelf in George besluit ik dat George geen mens is. Ik heb iets in mijn zelf daarvoor als uitgangspunt genomen: vermoedelijk dat wat ik als het persoonlijke zelf ervaar, kan verstaan en begrijpen.
Mogelijk stuiten we hier op het authentieke zelf waar historicus Yuval Harari over schrijft in Homo Deus 1, het deel van mij dat juist niet deelbaar is, maar intact blijft om zo (zelf) te kunnen bestaan in het contact met de ander (als andere werkelijkheid). Ik kan George (als humanoid) niet doorgronden omdat ik mijn authentieke zelf in het contact met George (als humanoid) niet kan doorgronden. Maar zou George dan in geen enkel opzicht als medemens ervaren kunnen worden? Als we George als de norm beschouwen in een toekomst waarin kunstmatige intelligentie dominant zal zijn, wat kenmerkt en bepaalt zijn mens-zijn dan?

Het niet volledig mens-zijn

De filosoof Helmuth Plessner werpt een interessant licht op de zaak door de stellen dat er feitelijk gezien nog geen sprake is van volledig mens-zijn; de mens is nog niet af maar moet zich nog verwerkelijken. Hij stelt dat de mens door zijn constitutieve thuisloosheid daartoe aangewezen is op techniek en cultuur 2.
Mens-zijn onderzoeken in relatie met techniek lijkt (nu nog) een troebel onderzoek te garanderen, met name wanneer gesteld wordt dat de mens zich in de relatie met techniek afhankelijk opstelt. Het mens-zijn ten opzichte van techniek (als factor of werkelijkheid) heeft zich in relationeel verband mogelijk nog niet (voldoende) kunnen positioneren, zoals in het verleden wel is gebeurd met objecten, dieren of andere mensen.
De vraag is en blijft: is er in de toekomst überhaupt sprake van een evenwichtige verhouding tussen mens en techniek? En gaat (verdere) positiebepaling noodzakelijk zijn om de werkelijkheid te verstaan en te begrijpen? In hoeverre is de mens en zijn bewustzijn nodig, of relevant, bij het doorgronden van de (gegeven) werkelijkheid? Of beweegt kunstmatige intelligentie op ‘natuurlijke wijze’ mee met de veranderende technologische omstandigheden als nieuwe conditie van leven en bewustzijn?

‘De mens: ergens anders’

De theatervoorstelling ‘Ergens anders’ 3 van Micha Wertheim handelde om deze existentiële vragen: doet de (fysieke) mens ertoe? Hoe nodig is hij voor het verloop en behoud van de werkelijkheid? En is de (fysieke) mens vervangbaar? Wertheim onderzoekt dit door de voorstelling te laten spelen door een humanoid. Wertheim zelf is niet aanwezig in zijn eigen voorstelling. Althans, niet fysiek. De inhoud van de voorstelling is door hem geschreven, en ook is er tijdens de voorstelling een interview met hem te horen op de achtergrond.
Je zou dus kunnen stellen dat Wertheim ‘in spirit’ aanwezig is, in de zin dat zijn gedachten en gevoelens waarneembaar zijn. Hij geeft er echter geen ‘fysieke gestalte’ aan. Die taak is weggelegd voor een humanoid. Daarnaast heeft ook het publiek een grote rol. Zij krijgen via koptelefoons opdrachten om het verdere verloop van de voorstelling te realiseren. Als toeschouwer kijk je dus hoofdzakelijk naar andere mensen die namens de ‘grote afwezige’ zijn voorstelling ‘belichamen’.
Ironisch genoeg heb ik deze voorstelling altijd de meest persoonlijke voorstelling van Wertheim gevonden. In eerdere voorstellingen van Wertheim werd voor mij als toeschouwer al vaker impliciet de vraag opgeworpen hoe bevorderlijk de aanwezigheid van een lichaam is bij het uitdrukken van een bepaald gedachtegoed. Is het lichaam een noodzakelijkheid of eerder een gebrek bij het volledig tot uiting brengen van een persoonlijkheid, of iemands essentie?
Wertheim heeft als theatermaker altijd geworsteld met de rol van performer, alsof zijn lichaam hem in de weg zat. De artistieke vraag bij ‘Ergens anders’ leek daarom ook te zijn of het de voorstelling niet ten goede zou komen als hij zijn fysieke zelf uit de formule zou halen. Een angstig (persoonlijk) vermoeden van de maker dat tijdens de tournee beantwoord diende te worden. Vrijwel alle voorstellingen vonden keurig doorgang. Is een maker dus fysiek nodig om een voorstelling ‘over te dragen’? Nee, dus.

Doodsbedreigingen

Tegelijkertijd heeft Wertheim een keur aan doodsbedreigingen op de mail gekregen en hebben veel toeschouwers de voorstelling vroegtijdig verlaten om hun geld bij de kassa terug te vragen. Dit onder het mom van: ‘Wij kwamen voor Micha Wertheim, en hij was er niet.’ Een fascinerend argument, omdat het ingrijpt op een diepere angst of vermoeden als het gaat om mens-zijn. Want als de mens er (zelf) niet (meer) is, is hij er ook niet (meer), lijkt het credo te zijn. Wertheim heeft het bewijs daartoe geleverd met zijn voorstelling. Zonder zijn fysieke aanwezigheid was hij er volgens veel toeschouwers ook niet. De humanoid die de voorstelling ‘droeg’, kon de plek of positie bestemd voor de mens Wertheim niet naar tevredenheid van vele toeschouwers voldoende ‘bemensen’.
De dynamiek in het (zelf)bewustwordingsproces bij het kijken naar deze theatervoorstelling lijkt overeenkomsten te vertonen met intermenselijke contact. De bepaling van een eigen (authentiek) zelf lijkt te worden aangewakkerd door een ander lichaam. Lichamelijkheid als (‘eerste’) staat van zijn, die ons dwingt tot positiebepaling en daarmee (zelf)bewustwording. Je zou dus kunnen stellen dat lichamelijkheid, als (‘eerste’) staat van zijn, iets ontwrichtends in zich heeft, anders zou ik me als mens niet geroepen voelen om in intermenselijk contact telkens (opnieuw) positie te bepalen, om mijn zelf daarmee te verzekeren van een waarneembare en daarmee aanwezige positie.
Het lichaam van een ander mens doet een beroep op ons innerlijk domein aan instincten, ongereguleerde emoties en indrukken. Om binnen dit domein aan ongerichte emoties en indrukken een positie (van zijn) te kunnen bepalen, doen we ‘automatisch’ een beroep op ons authentieke zelf, om door al het ongerichte ‘heen te breken’. Wanneer we door het ‘ongerichte’ heen breken ontstaat een vermoeden van een eigen (authentiek) zelf.

‘De (nieuwe) mens: het wit tussen de regels’

Waar is dit (authentieke) zelf herkennen dan intrinsiek op gestoeld? Esther Gerritsen schrijft in haar boek ‘De Trooster’ het volgende: ‘Nu was mijn blik open. Niet de mensen waren daardoor aanweziger dan anders, het was de ruimte tussen de mensen, het wit tussen de regels. In die ruimte is de Heer’. 4 Een prachtige tekst die precies weergeeft waar ik naar op zoek ben in het (mens-)zijn ten opzichte van George als humanoid.
Want waar vindt de herkenning van het authentieke zelf plaats? Vermoedelijk in de luttele seconden voordat een ander mens zich daadwerkelijk aan mij (als ander mens) openbaart. In de breuklijnen, de momenten tussen ongericht en onbepaald zijn en (positie)bepaald worden. Daar vind ik mijn zelf. Ervaar ik mijn zelf. Ontmoet ik mijn zelf. Om vervolgens vanuit deze vaststelling of bepaling te weten hoe (mens) te zijn.

Hoe bepaalt en/of beïnvloedt George (als vertegenwoordiger van kunstmatige intelligentie) ons mens-zijn of onze preconcepties met betrekking tot mens-zijn? Doet de aanwezigheid van George enkel afbreuk aan mijn ervaring of bewustwording van mens-zijn? Interessant genoeg kan George bij uitstek symbool staan voor het ‘wit tussen de regels’, als ‘fysieke vertegenwoordiger’ van de breuklijn tussen bepaald en (nog) onbepaald mens-zijn. In zekere zin is de mens en zijn staat van zijn door de eeuwen heen ruimschoots gedefinieerd en daarmee vastgesteld. En wel in die mate dat deze bepaling van dusdanige invloed is (of kan zijn) op hoe het individu zichzelf waarneemt, beziet en (uiteindelijk) positioneert.
George dwingt ons een stap terug te doen, naar de luttele seconde voordat het proces van (zelf)bewust zijn zich aandient. George is zich immers als mens nog aan het verwerkelijken, George is niet ‘af’, althans niet volgens onze preconcepties van mens-zijn. Het is haast arrogant om te denken dat ik, als mens, wel af ben. Dan zou ik handelen volgens de menselijke zijns-condities die er (al) zijn en die mogelijk haaks staan op mijn authentieke zelf.

George dwingt mij daarom anders naar mijn zijn, als mens-zijn, te kijken. George trekt het proces van mens-zijn open, en toont een mens in wording, nog niet af. George toont mij de breuklijnen, en daarmee de talloze mogelijkheden aangaande condities van zijn. De relatieontwikkeling tussen mijn authentieke zelf en mensen is mogelijk in grote lijnen voltooid. Dit betekent echter niet dat ik (als zijnsconditie) voltooid ben. Ik ben George, niet af, niet volledig mens. En daar mag ik mij (opnieuw) bewust van worden. Ben ik menselijk, of is de mens (nog) ergens anders? De vraag wordt dankzij humanoid George opnieuw gesteld, zodat ik mij als mens mag blijven begeven in het wit tussen de regels.


Annalin van Putten is theaterwetenschapper en dramaturg.
Daarnaast is zij oud-student van de Academie voor Geesteswetenschappen in Utrecht.

 

Voetnoten

  1. Harari, Y. Homo Deus. Een kleine geschiedenis van de toekomst. Thomas Rap, 2018.
  2. Mul, J, De. Ibidem, p. 20-21.
  3. Theatervoorstelling ‘Ergens Anders’, geschreven en gespeeld door Micha Wertheim, 2016.
  4. Gerritsen, E. De Trooster. De Geus, 2019.

 

Plaats een reactie