Terugblik
Einde & Begin
De Academie voor Geesteswetenschappen luidt haar tiende jaar in met Roek Lips.
Zaterdag 11 juli 2026 | Stadsklooster Utrecht
Het Stadsklooster aan de Kanaalstraat is een voormalige kerk, een gebouw neergezet om vragen te herbergen die groter zijn dan de mensen die ze stellen. Op deze zaterdag heeft het niet stilgestaan.
Jeanette Krijnen, directeur van de Academie voor Geesteswetenschappen, opent de middag. Er wordt vaak beweerd dat onze tijd zo veeleisend is geworden, zegt ze, en dat klopt ook, maar het is niet waar het werkelijk om gaat. Het leven is niet ineens existentiëler dan het was. De vraag waarvoor je leeft, en hoe je verlies draagt, is zo oud als de mens.
Wat veranderd is, is dat er vroeger van alles klaarstond om die vraag op te vangen voordat je hem zelf hoefde te stellen. Een kerk, een traditie, een dorp waar men je kende, een baan die je tot je pensioen droeg. Die antwoorden liepen met je mee zonder dat je erom vroeg. Ze zijn weggevallen, en de vraag is gebleven. Hij landt nu alleen kaler, en hij landt op jou, waar hij vroeger op ons samen landde.
Daar gaan de studenten van deze Academie staan, zegt Jeanette: op de plek waar het antwoorden te zwaar is geworden voor één mens alleen. Zij wachten niet tot er een stoel voor hen wordt bijgezet.
Dan is het woord aan Roek Lips.

Roek weet wat het is als de grond onder je wegzakt. Hij maakte carrière bij de publieke omroep, begon als jeugdprogrammamaker bij de Ikon en eindigde in de televisiedirectie van de NPO. Toen verloor hij zijn zoon Job, achttien jaar oud en net begonnen met studeren in Utrecht, tijdens een reis aan de Spaanse kust. Over de dagen die daarop volgden zegt hij weinig. Wat hij wel deelt is de gedachte die hij had op de terugweg naar huis: ik rijd nu terug naar een wereld waarin niets meer vanzelfsprekend is.
Wat daarna kwam staat keurig in de boeken en de films. Wat hij deze middag laat zien is het onnette midden ervan.
Hij begint niet met zijn verhaal maar met een vraag aan de zaal. Waar ben jij inmiddels dankbaar voor? En daarna laat hij de stilte staan, eerst lang genoeg om ongemakkelijk te worden, en dan precies lang genoeg om iets op te leveren.
Zo is het hem zelf ook overkomen. In een van hun eerste ontmoetingen draaide Paul de Blot, op dat moment de oudste hoogleraar van Nederland en al vijfennegentig, het gesprek plotseling om en stelde hém een onverwachte vraag. Ben jij een gelukkig mens? Roek moest erover nadenken. De Blot wachtte minutenlang.
De rups
Transformatie, zegt Roek, klinkt best leuk. Er zit een melodie in dat woord. Maar echte transformatie is niet altijd een pretje, en wie er werkelijk in terechtkomt weet dat. Het beeld waar de middag om blijft draaien kreeg hij van bioloog Willem Beekman, en het is dan ook een stuk minder lieflijk dan de vlinder aan het eind doet vermoeden.
Een rups doet niets anders dan eten. Hij zit op zijn blad en vreet, dag in dag uit, tot hij zichzelf letterlijk heeft opgegeten, en dan hangt hij zich op aan een tak. Wie de cocon opensnijdt verwacht misschien een halve vlinder te zien. Je vindt slot. Een groenbruine massa waarin niets meer te herkennen valt. Geen poten, geen ogen, geen mond. Het hart is ingeleverd. De ademhaling is ingeleverd. Alles wat de rups was is opgelost, en dat is geen ongeluk dat hem overkomt, dat is de voorwaarde.
In die brij, zei Beekman, worden cellen wakker die er altijd al zaten maar die je niet kon zien. Imaginal cells. Ze blijven onzichtbaar zolang ze alleen zijn. Ze worden pas zichtbaar wanneer ze elkaar vinden.
En dan komt wat Roek pas veel later te horen kreeg, van een andere bioloog, en waarvan hij naar eigen zeggen kippenvel kreeg. Wil zo’n verandering slagen, dan moet het afweersysteem van de rups zich volledig overgeven. Zolang het oude zichzelf blijft verdedigen, ziet het die nieuwe cellen aan voor indringers en ruimt ze op. Er moet dus eerst een crisis komen, niet als beproeving die ergens goed voor is, maar omdat het nieuwe anders geen kans krijgt.
Wie dat hoort van een man die zelf maanden in isolatie heeft doorgebracht, met een acute leukemie, in afwachting van een transplantatie waarvoor zijn eigen afweer moest wijken, hoort geen metafoor meer. Roek heeft die cocon van binnen gezien. Hij zegt het zonder omhaal: mensen die mij van vroeger kennen, herkennen mij niet meer.
Als je nu eens iets tegenkomt waarvan je denkt: ik weet het niet, onthoud dan dat álles gaat volgens de wetten van de natuur. En als je een keer denkt: hé, dat gaat niet volgens de wetten van de natuur, dan betekent dat niet dat mijn stelling niet klopt, maar dat jij die wetten nog onvoldoende hebt begrepen.
Paul de Blot
De ruimte
Roek zocht ooit Herman Hertzberger op, de architect van Centraal Beheer, het Chassé Theater en, een paar kilometer verderop in deze stad, het Muziekcentrum Vredenburg. Een man die zijn leven lang ruimtes heeft gemaakt waarin mensen elkaar wel tégen moeten komen. Hij trof hem thuis, in Amsterdam. Op hoge leeftijd, en het gesprek wilde niet vlotten. Roek probeerde een vraag. Niets. Hij probeerde er nog een. Het liep helemaal dood, en daar zat hij met zijn opnameapparatuur en zijn goede bedoelingen.
Toen legde hij zijn vragen weg. Kijk eens naar buiten, meneer Hertzberger. Kijk eens de kamer rond. Zo ging het minutenlang. En precies daar, in die leegte waar niets meer werd afgedwongen, begon de oude man te praten.
Wat hij zei ging over het verschil tussen ruimte en licht, en over wat een gebouw doet met de mensen die erin staan. Een lege ruimte is voor Hertzberger niet af. Architectuur moet uitdagen. Het moet een open structuur zijn waarin mensen zelf betekenis kunnen geven aan wat er tussen hen ontstaat, en de architect vult dat niet voor hen in, hij is de olie in de machine. Alles wat vastloopt moet weer gangbaar worden gemaakt, want in wat vastloopt gebeurt niets meer.
En dan het detail dat je niet meer vergeet. Architecten zijn verplicht ventilatiekanalen aan te brengen, en meestal wordt dat een vierkant gat in het plafond. Hertzberger maakte ze rond, en nooit één, altijd twee naast elkaar. Want wie de ruimte binnenkomt voelt zonder het te weten dat er een paar ogen terugkijkt. De ruimte kijkt je aan.
Wie op dat moment om zich heen keek, in de oude kerk waar het gezelschap zat, kon de gedachte moeilijk ontwijken dat deze Academie van precies dat leeft. Niet van de zaal, maar van de vraag of er iets ontstaat tussen twee mensen die erin zitten.
Daar komt de rest van de middag ook steeds op uit. Astrofysicus Vincent Icke, die uitrekent dat er in elf miljard lichtjaar niemand is zoals jij, en er in één adem bij zegt dat je gemaakt bent van doodgewone atomen uit de sterren. Wat Roek van hem meenam is één zin die hij op de terugweg niet uit zijn hoofd kreeg: die elementaire deeltjes waar wij uit bestaan zijn alleen zichtbaar wanneer ze een relatie met elkaar aangaan. Ik ben omdat wij zijn, zegt hij, dat is niet langer een mooie Afrikaanse gedachte, dat is natuurkunde.
De zaal kiest daarna tussen twee filosofen, Joke Hermsen of Stine Jensen, en het wordt zonder aarzelen Stine Jensen, die vertelt dat het idee dat je er in je eentje uit moet komen tot de zwaarste vergissingen van deze tijd hoort. En een hematoloog die op de vraag wat kanker nu eigenlijk is, drie woorden nodig had. Groei zonder leven.
Blijf gezond
Hij eindigt bij zijn oude geschiedenisleraar. Fred was zijn lievelingsleraar, om te beginnen omdat cijfers hem niet interesseerden en iedereen bij hem een voldoende kreeg, maar vooral omdat hij zo goed kon vertellen dat je nooit hoefde op te letten.
Jaren later zocht hij hem op, honderd inmiddels, en die gesprekken zijn blijven duren. Toen Roek ziek werd, stuurde Fred geen kaartje met bloemen. Hij stuurde een kort bericht met een opdracht erin: blijf gezond. Daar hield Roek zich aan vast.
In november vroeg hij hem eindelijk wat hij zou willen meegeven. Fred dacht na en zei dat het leven er niet is om gelukkig te zijn, en dat dat de vergissing is die de meeste mensen maken. Doe mee in het spel. Je krijgt problemen genoeg, en daar moet je antwoord op geven. Een mens wordt gelukkiger door verantwoordelijkheid te dragen. Geluk is een effect, geen doel.
Wat vandaag jou heeft gebracht
Aan het eind gaat de vraag de zaal in. Wat voor goeds heeft deze dag jou gebracht?
Iemand staat op voor een klein ding, iets van die ochtend dat een glimlach had opgeleverd en verder niets hoefde te betekenen. Daarna iemand anders. En nog iemand. Het loopt op tot wat de voorstelling met mensen heeft gedaan, en ergens halverwege gebeurt waar deze middag over is gepráát.
Dit zijn ze. De imaginal cells. In hun eentje zijn ze niet te zien, ze worden pas zichtbaar wanneer ze elkaar vinden. Een middag lang is verteld dat de deeltjes waaruit wij bestaan alleen bestaan in relatie tot elkaar, dat het individu een constructie is, dat je jezelf niet leert kennen op de bank maar tegenover een ander. En dan doet een zaal het gewoon, zonder het door te hebben. Wat in niemand afzonderlijk te zien was, wordt zichtbaar op het moment dat het zich aan iemand anders laat horen.
Hertzberger legt twee ronde openingen naast elkaar in een plafond, zodat een ruimte je aankijkt. Hier is dat niet nodig. Hier kijkt de ruimte terug uit de mensen zelf.
Je hebt ons niet alleen iets laten zien Roek, je hebt ons ook iets laten voelen. En je hebt ons laten lachen. Groot dank!
Zo luidt de Academie haar studiejaar uit en haar tiende jaar in, in een oude kerk, bij een man die van het leven heeft moeten leren buigen.
In het najaar geeft Roek het woord door aan Ronald Meester, die de lijn verder trekt.

De ander ontmoeten, jezelf verstaan.
Academie voor Geesteswetenschappen · Ruimte maken voor ziel, zorg en zingeving


