Tjeu van den Berk duikt de parels op uit het libretto van Mozarts Die Zauberflöte

Nabeschouwing Capita Selecta van 5 november 2019: Die Zauberflöte, een alchemistische allegorie – Tjeu van den Berk

De laatste opera van Wolfgang Amadeus Mozart, De Toverfluit, beter bekend als Die Zauberflöte (1791), is niet gebaseerd op een eenvoudig speels sprookje, want dit blijkt een serieuze inwijdingsrite vol alchemistische symbolen. Lange tijd werd het libretto zelfs ‘onbegrijpelijk’ genoemd en een ‘flutsprookje’. Van den Berk onderkende de werkelijke waarde ervan: dat het verhaal de mystieke inwijding van de menselijke ziel uitbeeldt.

Vrijmetselaarsopera
Van den Berk schreef er een boek over: Die Zauberflöte, een alchemistische allegorie. Tijdens het college laat hij niet alleen het verhaal van De Toverfluit horen, maar vertelt bovendien meeslepend over dit spirituele operaverhaal, een alchemistische bruiloft. Van den Berk heeft een uitgebreide studie gemaakt van deze opera en kan zo ook over de diepere achtergronden vertellen, verscholen in deze vrijmetselaarsopera. Mozart was al op 24-jarige leeftijd in Wenen vrijmetselaar, evenals de tekstdichters van Die Zauberflöte.  

Libretto
Van den Berk maakt in zijn voordracht de ideeën van de vrijmetselaars duidelijk. Wijsheid, kracht en schoonheid is wat zij zoeken, en deze thema’s vind je terug in Die Zauberflöte. De vrijmetselarij is een spirituele beweging, wars van dogma’s en door katholieken uit die tijd ‘erger dan het protestantisme’ genoemd. Vrijmetselaars streven echter naar verdraagzaamheid, persoonlijke groei en persoonlijke ontwikkeling. Het gaat er vooral om jezelf te leren kennen. De verhalen van alchemisten en vrijmetselaars zijn doordrenkt van symboliek. Lood in goud veranderen bijvoorbeeld betekent vooral jezelf leren kennen, jezelf worden. Je eigen ‘lood’ in ‘goud’ veranderen! En deze ideeën vindt Van den Berk terug in het libretto van Die Zauberflöte.

Op zoek naar de steen der wijzen
De cursisten konden aan het einde van het college genieten van de laatste twintig minuten van de opera, zoals deze is uitgevoerd in het Concertgebouw in Amsterdam. Zoals het hoort bij een echt sprookje loopt het goed af. Vogelvanger Papageno en zijn geliefde Papagena worden uiteindelijk, met behulp van drie knapen, met elkaar verenigd.
In zijn boek toont Van den Berk aan dat de opera een allegorie uitbeeldt, waarin de personages de verschillende stoffen en hun transformaties symboliseren, op zoek naar de steen der wijzen. Vanuit de tempel van de Koningin van de Nacht wordt een inwijdingsweg afgelegd, uitmondend in de zonnetempel van Sarastro. Sarastro, de ‘priester van de zon’ viert daarin samen met de andere priesters, en prins Tamino en Pamina, dochter van de Koningin van de nacht, de geslaagde inwijding, die van de overwinning van het licht op de duisternis.

Beeld: Tamino en Pamina ondergaan hun laatste beproeving; waterverfschilderij op papier door Max Slevogt (1868–1932)