Tweelingzielen: waar komt dat idee eigenlijk vandaan?

Het idee van tweelingzielen werd al beschreven door Plato, een paar duizend jaar geleden. Wat is het verhaal erachter eigenlijk en hoe zijn we met dit concept door de eeuwen omgegaan? Gaat het misschien om het oerverlangen van de ziel?

De Engelse kunstenaar en mysticus William Blake schetst een aangrijpend beeld van de hemel in het Laatste Oordeel. Het schilderij zelf is helaas verloren gegaan, maar gelukkig zijn er nog veel tekeningen, schetsen en notities bewaard gebleven. Blake zag het Laatste Oordeel niet als een fabel of allegorie, maar als een visioen, een voorstelling van wat eeuwig bestaat. De gravures laten ons zien hoe Blake de dwalingen in vlammen op doet gaan. Een afrekening met de illusies en beelden die wij op de dingen projecteren.
Volgens William Blake hebben de zielen in de hemel geen stoffelijke en sterfelijke lichamen, maar ‘beschikken zij nog altijd over hun liefde en hartstocht’. Op deze hartstocht zijn namelijk intellect en liefde gebaseerd, zei Blake. ‘De mens wordt niet tot de hemel toegelaten omdat hij zijn hartstochten heeft weten te bedwingen of omdat hij geen hartstocht kent, maar omdat hij zijn inzichten heeft weten te verdiepen.’

Het is opvallend met hoeveel tederheid Blake de liefdesparen in zijn uitgebeelde visioenen van het Laatste Oordeel weergeeft. Het is of de geliefden geheel in elkaar versmelten.
De uitbeelding van liefdesparen in de hemel is niet nieuw. Meestal betreft het dan het eerste liefdespaar dat ooit geleefd zou hebben, Adam en Eva. Ook in de literatuur is de verbinding tussen de aardse en hemelse liefde een geliefd thema.
In Dante’s meesterwerk La divina commedia reist de schrijver samen met zijn geliefde Beatrice door de vele hemelen.
In modernere literatuur worden legendarische liefdesparen als Dante en Beatrice, Petrarca en Laura, Abélard en Héloïse soms aangeduid met ‘tweelingzielen’. Hun ontmoetingen zouden voorbeschikt zijn door een hogere macht en ook na de dood onverbrekelijk blijven.

De gedeelde mens

Een paar decennia jaren terug verscheen een werkje van Patricia Joudry en Maurie Pressman, Tweelingzielen. Vind je ware spirituele partner. Het boek stootte snel door tot de top 10 van de Nieuwe-tijdsboekhandels en bleef daar geruime tijd staan. De kern van het boek wordt gevormd door de romantische gedachte dat iedere ziel hier op aarde een tweelingziel heeft. Bij de schepping was de mens eerst twee in een. Later zouden de helften gescheiden zijn geraakt. Het begin van een eeuwige zoektocht naar elkaar.

Deze opvatting lijkt ontleend te zijn aan een prachtig verhaal van Plato. In Symposion laat hij Aristophanes een rede over de liefde houden. Vroeger, zo begon Aristophanes zijn verhaal, ‘was van ieder mens de vorm rond, met rug en zijden in een cirkel’. Vier armen en benen had de mens en verder twee gezichten en ook twee schaamdelen. Maar deze mens was hoogmoedig en nam het op tegen de goden. Daarop overlegde Zeus met de andere goden. Als ze de mensheid zouden uitroeien, hadden ze zelf geen recht van bestaan meer. Wie zou er dan nog zijn om hen te vereren? Daarom bedachten ze iets anders. Ik zal ze, zei Zeus, ‘doormidden snijden, allemaal. Niet alleen zijn ze dan zwakker, maar voor ons is dat ook nog voordeliger, want hun aantal is dan groter.’ En zo gebeurde. Maar ‘toen het oorspronkelijke menselijke lichaam zo doormidden was gesneden verlangde elke helft wanhopig terug naar de andere helft, en zij zochten elkaar op. Dan sloegen ze de armen om elkaar heen en grepen elkaar beet in hun verlangen om tot eenheid te groeien. En zo stierven ze van honger en totaal gebrek aan activiteit, omdat ze niets wilden doen apart van elkaar.

Weer greep Zeus in, dit keer om de schaamdelen, die nog aan de buitenkant zaten, naar voren te verplaatsen. Dat had het beslissende voordeel dat de mensen zich, om hun heimwee naar elkaar te stillen, tijdelijk konden verenigen om daarna de plichten te hervatten. Tevens leverde het nageslacht op, dus meer vereerders van de goden.

Tweelingzielen

Joudry en Pressman refereren inderdaad aan bovenstaand verhaal. Alleen vormen zij een algemeen ‘archetypisch’ idee om tot een strikt individueel beeld. De tweelingziel krijgt daardoor een uiterst persoonlijk karakter. Volgens de schrijvers gaat, als iemand zijn of haar tweelingziel ontmoet, dat dan ook niet ongemerkt:

  • Je bent een vrouw? Ergens is er een man die er naartoe werkt jouw vrouwelijke krachten bij hem tot ontplooiing te brengen: als jullie elkaar ontmoeten zullen jullie jezelf herkennen…
  • Je bent een man? Je complementaire tegendeel is bezig te groeien in de richting van jouw mannelijkheid door in zichzelf de unieke kenmerken van jouw yang-krachten te ontwikkelen. Ze zullen zich in jou weerspiegelen in de verrukking van de herkenning als jullie elkaar uiteindelijk vinden…

Het is een uiterst romantisch beeld dat door Joudry en Pressman wordt geschetst. In hun voorwoord schrijven de auteurs dat hun zoektocht door de spirituele literatuur over tweelingzielen niets heeft opgeleverd. Dat is bevreemdend, omdat de spirituele soefi-meester Hazrat Inayat Khan al in een uitgave uit 1924 aandacht aan dit fenomeen besteedt.
Kahn zegt dat tweelingzielen elkaar aantrekken en elkaar voorzien van wat ze in hun leven nodig hebben. Zij kunnen man en vrouw zijn, maar ook man en man of vrouw en vrouw.
Nog verder terug in de tijd was het de grote visionair Emanuel Swedenborg die in de achttiende eeuw een zeer lijvig boekwerk aan dit onderwerp wijdde. Weliswaar vinden we in De echtelijke liefde niet de letterlijke benaming `tweelingziel’ terug, maar wel de idee dat in het hiernamaals de verbinding plaatsvindt met de ultieme partner. Hij gaat in op de geslachtelijke liefde, het samengaan van man en vrouw op aarde. Deze verbinding kan in de andere dimensie gecontinueerd worden en verder worden uitgebouwd. Als dat laatste niet mogelijk is, vindt een nieuw huwelijk plaats.
Altijd zijn er mogelijkheden die leiden tot de `echtelijke liefde’, die doorgaat in de hemel of daar juist tot stand kost.
De echtelijke liefde is de geestelijke liefde, die van `de inwendige mens’. De geslachtelijke liefde ziet Swedenborg als de nog `dierlijke’ liefde. Het is de liefde van `de uitwendige mens’. Vanaf de schepping, schrijft Swedenborg, is in beide geslachten niet alleen het vermogen, maar ook de neiging geënt om weer tot één verbonden te worden.

Swedenborg refereert daarbij niet aan Plato’s Symposion maar aan een ander archetype, het geschrevene in Genesis ‘dat de vrouw uit de man is genomen’. Dat wat uit elkaar genomen is, streeft er ten alle tijde naar weer verenigd te worden, zegt Swedenborg. Die vereniging kan al op deze aarde plaats vinden, als de mens zijn `hogere waarden’ weet te ontwikkelen. Twee zielen met hetzelfde trillingsgetal zullen dan iets smaken van ‘de echtelijke liefde’. Want er is voor iedere ziel een passende partner, een ‘deelgenoot wiens ziel neigt tot één-zijn met die van de ander, dermate dat zij niet twee levens willen zijn, maar één.’ Dat kan dus de aardse partner zijn, met wie de verbinding na de dood wordt voortgezet in een hemelse gelukzaligheid, het kan ook een andere partner zijn waar door de Eeuwigheid in is voorzien.
De mens die in de andere dimensie gelijk een engel is, vervolmaakt zich. Dat geldt ook voor de hemelse huwelijken, die volgens Swedenborg, ook steeds volmaakter worden.

Het verloren paradijs

De opvatting van een steeds grotere vervolmaking is een universeel beeld, dat we in zovele wijsheidsgeschriften tegenkomen. De mens evolueert en in die evolutie wordt hij zich steeds meer bewust. Een ziel `daalt af’ uit het ziele-rijk en krijgt een aantal mogelijkheden in dat specifieke leven om ervaringen op te doen die tot een vergroting van het bewustzijn kunnen leiden. Daarvoor incarneert de ziel in vele schijnbaar afzonderlijke individuen. Al die `anderen’ vormen spiegels, waarin de individuen zichzelf steeds bewuster kunnen gaan leren zien. De anderen met wie wij dingen op deze aarde uitwerken, worden in de esoterische literatuur ook wel `neven-zielen’ genoemd. Dat lijkt mij een juistere term dan ‘tweelingzielen’.

Jean Jacques Rousseau schrijft in zijn Confessions (Bekentenissen) dat ‘de grootste, de sterkste, de meest onblusbare van mijn behoeften… de behoefte is aan een innige omgang, zo innig als die maar kan zijn’ Omdat zo’n intense vereniging op aarde nauwelijks mogelijk zou zijn, projecteerde Rousseau die in de hemel. Is deze innige omgang echter hier op aarde wel gevonden, dan is het verlangen naar een `hemelse’ voortzetting daarvan vaak heel sterk. In Friedrich Schlegels’ roman Lucinde verzekeren de liefdespartners Julius en Lucinde elkaar dat hun liefde nooit mag eindigen en door moet gaan tot in de meest ‘oneindige wereld’. Want het is door de liefde dat `de menselijke natuur tot zijn oorspronkelijke goddelijke staat terugkeert’.
Zowel Swedenborg als Rousseau, Schlegel en William Blake zijn beïnvloed door een van de grootste klassiekers aller tijden: Paradise Lost, Het Verloren Paradijs, van John Milton.

Bij Milton is het aardse paradijs van Adam en Eva een evenbeeld van de hemel. In Paradise Lost schildert hij de omgang van Adam en Eva op een totaal andere wijze dan in de gangbare theologie. Adam beschrijft aan de aartsengel Rafaël hoe bij hem de hartstocht oplaaide als een voor hem tot dan toe onbekende beroering. Voorts leert Rafaël aan Adam en Eva dat hun lichamelijke liefde voor elkaar `een trap is waarlangs ge in het licht en stralen tot Hemelliefde klimt’. De menselijke liefde was in de ogen van Milton geen louter `dierlijke’ voortplanting meer, maar een regelrechte mogelijkheid tot verlossing. Waarmee hij in de oude liberale gnostische traditie stond zoals deze ooit werd uitgedragen door de mysticus Valentinus en onder andere haar weerslag vindt in het Evangelie volgens Filippus.

Coniunctio

Verlossing vindt plaats door oplossing. De wetenschap die zich altijd met het onderzoek naar het oplossende vermogen heeft beziggehouden is de alchemie. In de spirituele alchemie staat het zoeken naar het wezen van de verbinding voorop. Deze verbinding wordt, in de alchemie meestal met het. Latijnse woord coniunctio aangeduid. De exoterische alchemie had in de periode na het verlichtingsdenken een slechte naam gekregen. Het zoeken naar een formule om van onedele metalen edele te maken, was in de ogen van de verlichtingswetenschappers deerniswekkend mislukt. Lood kon nooit goud worden. Ze zagen daarbij over het hoofd dat de alchemie altijd een uiterlijke kant aan een innerlijke paarde.
In de eerste gaat het om de uiterlijke bewerking van metalen en van vloeibare en vluchtige stoffen, in de tweede om de spirituele zoektocht van de mens. Op esoterisch niveau stond het onedele metaal symbool voor het nog onbewuste, niet verloste zelf en het goud voor het bevrijde spirituele Zelf.
Al in de derde eeuw na Christus vergelijkt de alchemist Zosimus het aambeeld waarop het metaal wordt bewerkt met het altaar in de tempel. Uitgaande van het hermetische principe dat de mens als micro-kosmos aan dezelfde krachten onderhevig is als de macro-kosmos rondom hem, zouden buitenkant en binnenkant ineen vloeien. Als de Arabische vorst Khalid in de zevende eeuw aan de alchemist Morienus vraagt waar hij de ‘steen der wijzen’ kan vinden antwoord de laatste:

“O, koning, ik zeg u in waarachtigheid dat Allah in zijn genade dit uitzonderlijke voorwerp heeft geschapen in uzelf; waar u ook moge zijn, het is altijd in u.en het kan nooit van u gescheiden worden.”

De ‘steen der wijzen’ (lapis philosophorum) is een metafoor voor het inwezen van alle dingen, ook wel de prima materia (eerste oorzaak) genoemd of het ens primum (oorspronkelijke stof) of het levenselixer.

Dieptepsychologie

De symboliek van het liefdespaar staat centraal in de alchemistische literatuur. Twee stoffen gaan een heilig huwelijk, een hieros gamos aan en uit deze conjunctie ontspruit nieuw leven. Carl Gustav Jung hechtte veel waarde aan de alchemie. Hij zag daarin de schakel tussen de oude gnosis en de moderne psychologie van het onbewuste. In een van zijn werken citeert hij een oude alchemistische hymne:

De witte vrouw, verbonden in liefde met de rode echtgenoot
In innige omarming, verenigd en echtelijke band:
Ze lossen zich op, om het doel der voleinding snel te naderen,
Zij die twee waren, worden als één lichaam.

De mens kent een diep verlangen, een soort oerheimwee, naar zijn herkomst. Wie kent niet het archetypische paradijselijke beeld van volledige vrede en gelukzalige versmelting met, ja met wat? Met God? Met Geest? Met Christus? Met de eeuwige geliefde? Met onszelf? Het is een onbeschrijfelijk gevoel dat zich soms uit in dromen.
Raken we daar onze onpersoonlijke tweelingziel in het beeld van een (vaak ook onpersoonlijke) geliefde? In het eerder aangehaalde boek Tweelingzielen staat een verhaal over een relatie tussen een zekere Mark en Diana. Daarin trof mij de zin: Beiden zeggen nu dat ze ten langen leste alles hebben gevonden wat ze in de ander hadden gezocht, en zelfs meer.

Zo’n opmerking illustreert nu precies het opgeroepen romantische beeld van een volmaakte liefde. Deze blijft echter buiten jezelf als ze is blijven steken in de projecties op elkaar. Zo’n beeld kan een eigen leven gaan leiden en zorgvuldig gekoesterd worden. Zo wordt het tot een ‘plaatje’. In het geval van Mark en Diana zou het wellicht ook kunnen betekenen dat ze elkaar zo gespiegeld hebben, dat ze in die spiegel steeds meer stukjes van zichzelf herkenden.
Dat is de weg van bewustwording, aanvankelijk vaak door confrontatie, in ieder geval door uitwisseling.
We zijn dat ons meestal maar half bewust, gevangen als we zijn in onze beelden en projecties. Het was Jung die de projectie op de ander benoemde met anima en animus.

Androgyn

Er is een oeroud archetypisch beeld. Adam draagt Eva in zich. De mens is androgyn. De man en de vrouw buiten jezelf zijn er om het mannelijke én het vrouwelijke in jezelf te ontdekken. De ogenschijnlijke ‘tweeling’ buiten jezelf kan je in contact met de eenheid in jezelf. Waardoor het beeld van de ‘tweeling’ ogenblikkelijk losgelaten kan worden.
Ooit, voor ons bewustzijn in een ver, ver verleden, is er een cyclus in gang gezet. In het Evangelie volgens Filippus lezen we daarover:

Toen Eva nog in Adam was, was er geen dood.
Toen zij zich van hem scheidde, ontstond de dood.
Als zij weer in hem gaat en hij haar weer in zich opneemt,
zal er geen dood meer zijn.

Johann Wolfgang Goethe laat Faust uitroepen dat er twee zielen in zijn binnenste leven en dat de ene ziel zich van de andere wil scheiden. In de klassiek geworden roman van Robert Louis Stevenson verandert de hulpvaardige dokter Jekyll `s nachts in de moordlustige mijnheer Hyde. Licht en duisternis spelen zich af in de menselijke ziel. Ook het mannelijke en het vrouwelijke confronteren elkaar in de ziel. Het zoeken naar de ‘tweelingziel’ buiten jezelf houdt het gevaar in die confrontatie uit de weg te gaan. De gedachte aan een ‘gedeelde’ ziel als onderdeel van een `voorbeschikte’ tweeling, kan niet alleen een vlucht uit de dagelijkse werkelijkheid betekenen, het zou ook inhouden dat we als mens niet ‘af’ zouden zijn. We zouden de versmelting niet in onszelf kunnen vinden, maar afhankelijk zijn van die ultieme ontmoeting met de tweelingziel.

Uiteindelijk zullen we eens, denk ik, onze spirituele partner vinden. Die partner zijn we namelijk zelf. Daarbij lijkt het minder om een voorbeschikte hemelse tweelingziel te gaan en meer om de spiegeling in de ander als vindplaats van onszelf. De mogelijkheden tot het opdoen van de ervaringen die tot zelfkennis kunnen leiden, worden ons aangereikt door ‘nevenzielen’. Met deze verwante zielen mogen we werken aan onze ontwikkeling. Om wellicht, zoals dat bij de grondlegger van het neo-platonisme Plotinus geschiedde, tot het besef te komen dat we deel uitmaken van dezelfde grote eeuwige oerziel. De mens heeft daarin een plaats in een bewustwordingsproces. Niet voor niets sprak de legendarische Hermes Trismegistus tot misschien wel de grootste heelmeester aller tijden: “O, Asclepius, de mens is een groot wonder!”


Jacob Slavenburg is auteur en als docent verbonden aan diverse instellingen, waaronder het Jungiaans Instituut in Nijmegen, de Academie voor Geesteswetenschappen in Utrecht en de Academie Integrale Menswetenschappen te Utrecht.

Jacob geeft jaarlijks een 12 en 24-delige avondcursus over ‘Een reis langs de mysteriën; gnosis en esoterie’.
Meer: Jacobslavenburg.nl

Een reactie plaatsen