Judas: “Ik eis rehabilitatie en heiligverklaring!”

“Ik ben het zwarte schaap van jullie christelijke beschaving. En waarop zijn jullie beschuldigingen tegen mij eigenlijk gebaseerd? Juist, op niets!” Een postuum pleidooi van Judas voor rehabilitatie.

Dief, verrader, verdoemde aartsschelm, misdadiger, geldzuchtige, monster met borstelhaar en uitpuilende ogen, afvallige, verschrikkelijk hondsvot, schurk van de passiespelen, zoon van het verderf, tweelingbroer van Kaïn, ellendig symbool van goddeloosheid, Jood bij uitstek, de duivel in persoon.
Zie daar enkele van de beschuldigingen die jullie in twintig eeuwen christendom over mij hebben uitgestort. De lijst is nog niet eens volledig. Kortom, ik ben het zwarte schaap van jullie christelijke beschaving. En dat vanwege één kus?

Troebele bron

Waarop zijn jullie beschuldigingen tegen mij eigenlijk gebaseerd? Juist, op niets! De voornaamste bronnen waaruit jullie hebben geput, zijn de vier evangeliën. En die zijn op zijn zachtst gezegd troebel. Ze dateren alle van het jaar 70 na Christus of later. Geen van jullie gewijde schrijvers is ooggetuige geweest van die turbulente dagen. Voor hun verslagen waren ze afhankelijk van mondelinge mededelingen. De rest hebben ze uit hun dikke duim gezogen. Met als resultaat dat, als je de bijbelse passages over mij leest in de volgorde van hun ontstaan, het beeld van mij steeds zwarter wordt.

De teksten over Judas:

  • Marcus 3:19; 14:10-11.43-45
  • Matteüs 10:4; 26:14-16.47-50; 27:3-5
  • Lucas 6:16; 22:3-6.47-48
  • Johannes 6:70-71; 12:4-6; 13:2.26-30; 18:2-5
  • Handelingen 1:15-26

Het bewijsmateriaal op grond waarvan jullie mij hebben veroordeeld, is zo schaars, twijfelachtig en tegenstrijdig dat elke tweederangs advocaat er gehakt van maakt. Maar zelfs zo een pleitbezorger kan ik niet vinden. Nu ben ik het zat. Ik voer mijn eigen verdediging wel.

Zalving

Neem nu de beroemde passage over de zalving in Betanië. Vond die plaats twee dagen voor Pasen (Marcus, Matteüs) of drie (Johannes)? Verleende Marta gastvrijheid (Johannes) of Simon de melaatse (Marcus, Matteüs)? Was de vrouw die Jezus zalfde, zo maar een vrouw (Marcus, Matteüs), of was het Maria (Johannes)? Zalfde ze Jezus’ hoofd (Marcus, Matteüs) of zijn voeten (Johannes)?
Zijn dit al tegenstrijdige getuigenverklaringen, het wordt nog erger als je leest wie de bezwaren tegen deze spilzieke actie van de vrouw heeft geopperd. Waren het zijn leerlingen, zoals Matteüs beweert, of sommigen (leerlingen? andere aanwezigen?), zoals Marcus zegt. Of was ík het, zoals Johannes beter meent te weten?
Maar wie ook bezwaar heeft aangetekend, had diegene niet het grootste gelijk? De balsem was meer dan 300 denariën waard, het gemiddelde jaarinkomen van een loonwerker. Was het leegstorten van die kruik balsem dan niet een onverantwoord staaltje van geldsmijterij? En stond dit huldebetoon dat Jezus zich liet aanleunen, niet in contrast met zijn opdracht om al je bezittingen te verkopen ten bate van de armen?
Nu weet Johannes bovendien te melden dat ik mijn bezwaar zelfs niet geuit zou hebben uit mededogen jegens de armen. Nee, ik was een dief en graaide als penningmeester van onze messiaanse club uit de kas. Kan het nog geloofwaardiger: een messias uit den hoge die een dief aanstelt als beheerder van de kas?

Wanhoopsdaad

En daarmee zijn we aanbeland bij het motief dat in jullie tenlastelegging telkens terugkeert: geldzucht zou mij gedreven hebben om Jezus over te leveren. Maar het is onzin. Als ik een bedreven cijferaar zou zijn geweest, zou ik de prijs voor een messias toch nooit op het schamele bedrag van dertig zilverlingen hebben gezet, de koopprijs van een slaaf, of in jullie termen: een ‘jodenfooi’? En als het mij werkelijk om geld was te doen, had ik er toch gewoon met de kas vandoor kunnen gaan?
Nee, het is heel anders gegaan dan jullie denken. Jezus’ leven werd beheerst door het geloof dat de komst van het Koninkrijk Gods nog tijdens zijn eigen leven zou plaatsvinden. Wij als leerlingen deelden dat geloof. Bovendien geloofden wij dat hij dan de beloofde messias zou blijken te zijn. Daarom werden wij uitgestuurd om het einde te helpen voorbereiden.
Maar toen de eindtijd almaar niet kwam, sloop er twijfel in Jezus: volgden we wel de juiste strategie? Na veel innerlijke strijd groeide in hem het idee om de komst van dat koninkrijk te verhaasten: ‘misschien kan ik God vermurwen door mijn eigen leven als bloedig zoenoffer aan te bieden.’ Het was een uiterste poging, misschien wel een laatste wanhoopsdaad.

Kus

Als enige van de leerlingen heeft Jezus mij in dit plan gekend. De anderen mochten er niet van weten. Hij had mij zelfs een rol toebedeeld. Waarom ik? Jezus had allang voorzien dat de andere leerlingen het nooit zouden begrijpen. Als zij hadden geweten dat het plan van hemzelf afkomstig was, waren ze spontaan van hun geloof gevallen.
Daarom zou ík hem zogenaamd verraden. De zilverlingen waren een afleidingsmanoeuvre, de kus een kus ten afscheid. Hij heeft mij zelfs, onzichtbaar voor de anderen, teruggekust. Wij begrepen elkaar.
Tot op het kruis heeft Jezus geloofd dat zijn aanpak zou werken. Maar vlak voor hij de laatste adem uitblies, besefte hij dat zijn hoop niet in vervulling zou gaan, getuige zijn klacht: ‘Mijn God, mijn God, waarom heb Jij mij verlaten?’
Ik heb dat allemaal niet meer meegemaakt. Voor die tijd had ik mij al verhangen. Want reeds toen Jezus voor Kajafas stond, kreeg ik spijt. Maar ik kon de zaak niet meer terugdraaien. Het scenario volgde al zijn eigen dynamiek.
Hoe kon ik zo stom zijn geweest? Waarom heb ik mij eigenlijk door hem laten verleiden tot medewerking aan dit onzalige plan? Het antwoord is simpel: ik had alles voor hem gedaan. Ik had hem lief. En liefde maakt blind.
Maar achteraf gezien is het een gruwelijke vergissing geweest. Hoe hadden wij ooit kunnen denken dat Jezus met zijn dood Gods tussenkomst had kunnen afdwingen? Alsof God als een vader voor zijn volwassen kinderen nog de kolen uit het vuur haalt. Is het niet infantiel om van God te vragen wat wij mensen zelf moeten opknappen?

Slotpleidooi

Kortom, het was Jezus’ plan. Ik ben hoogstens medeplichtig, maar op zíjn verzoek, en deel in de mislukking. Daarvoor heb ik betaald met mijn leven. Heb ik niet genoeg geboet doordat ik mijzelf van het leven beroofd heb? En waren mijn en zijn bloed niet voldoende om jullie bloeddorst te lessen?
Waarom hebben jullie dan die ene daad van mij alle Joden die na mij leefden, nagedragen? Waarom hebben jullie het kruis omgedraaid tot een zwaard en ermee een spoor van Joods bloed door de geschiedenis getrokken? Was de les van Golgota dan niet dat jullie anderen niet de kruisweg zouden opjagen? En is de les van Auschwitz dan niet dat jullie de les van Golgota nog steeds niet geleerd hebben?
En toch geloven jullie dat Jezus’ dood jullie de verlossing heeft gebracht? Geloof het maar, voor mijn part! Maar wie heeft daarin dan een belangrijk aandeel gehad? Ik toch zeker. Bovendien heb ik hem slechts eenmaal verraden, terwijl jullie hem elke dag verraden.
Jullie zaak tegen mij deugt niet. Ik meen dan ook recht te hebben op volledig eerherstel en met minder dan een heiligverklaring neem ik geen genoegen. Immers, ook de andere leerlingen – Petrus voorop – die in die dagen geen heldenrol hebben vervuld, zijn heilig verklaard. Als zij daarvoor in aanmerking komen, dan heb ik er toch zeker ook recht op?

Met dank aan:

  • Martin van Amerongen, ‘De ware motieven van Judas Iskarioth’, in: Sceptici over de Schrift, Anthos, 1989, blz. 163-176.
  • Pierre-Emmanuel Dauzat, Judas. De l’Évangile à l’Holocauste, Bayard, 2006.

Philippe van Heusden is theoloog/judaïcus en uitgever, (mede)auteur van o.a. Christelijke Encyclopedie en NBV Studiebijbel en doceert de vakken Bijbel, Jodendom en Inleiding Christendom aan de Academie voor Geesteswetenschappen.

Een reactie plaatsen